Het nieuwe Belgische Strafwetboek (overzicht van de hervorming door de FOD Justitie), gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 8 april 2024 en van toepassing vanaf 1 september 2026, vormt de eerste alomvattende hervorming van het strafrecht sinds 1867. Het moderniseert de algemene beginselen, herstructureert de straffen in acht graduele niveaus en hercodeert alle misdrijven, wat zorgt voor een duidelijker en coherenter kader.
Deze hervorming kadert ook in een Europese context van versterking van de strijd tegen witwassen en financiële criminaliteit. De Europese Unie heeft in 2024 het « EU AML Package » aangenomen, dat met name de zesde antiwitwasrichtlijn (AMLD6), de AMLR-verordening alsook de oprichting van een nieuwe Europese autoriteit voor de bestrijding van witwassen (AMLA) omvat. De omzetting van AMLD6 moet uiterlijk op 10 juli 2027 plaatsvinden, met uitzondering van de bepalingen over de registers van uiteindelijke begunstigden (art. 11–13 en 15), die tegen 10 juli 2026 moesten worden omgezet (zie ook het UBO-register in België). De AMLR is van toepassing vanaf 10 juli 2027.

Hoewel de Belgische hervorming geen loutere mechanische omzetting van het Europees recht vormt, past zij duidelijk in deze dynamiek van verstrenging van repressieve en preventieve maatregelen op financieel vlak.
Op het gebied van het economisch en financieel strafrecht uit de hervorming zich vooral in een herdefiniëring van het misdrijf witwassen en in de hercodificatie van de frauduleuze organisatie van insolventie (oud art. 490bis, nu art. 496). Dit roept belangrijke uitdagingen op voor ondernemingen en professionals, die hun interne praktijken en controlemechanismen moeten aanpassen om te voldoen aan een nu strenger strafrecht.
Wat zijn de echte nieuwigheden op het gebied van witwassen?
Het Wetboek maakt nu een duidelijk onderscheid tussen heling en witwassen, terwijl die vroeger vaak werden verward.
Heling (art. 501) blijft een ogenblikkelijk misdrijf en betreft het in bezit nemen of overdragen van een goed dat is verkregen door middel van een door een ander gepleegd misdrijf.
Witwassen (art. 502) wordt daarentegen een voortdurend misdrijf, dat wil zeggen een misdrijf dat in de tijd voortduurt zolang de onrechtmatige toestand aanhoudt. Het omvat voortaan een breed gamma van gedragingen: het bezit, het beheer, de omzetting, de overdracht en de verberging van goederen of inkomsten van onrechtmatige herkomst.
Deze kwalificatie als voortdurend misdrijf is een belangrijke evolutie, omdat zij rechtstreekse gevolgen heeft voor de verjaring van de strafvordering.
De zelfwitwassing: een belangrijke evolutie

Onder het vroegere artikel 505 van het Strafwetboek kon de dader van een misdrijf in beginsel niet worden vervolgd wegens witwassen wanneer hij zich ertoe beperkte de vermogensvoordelen die hij zelf via zijn misdrijf had verkregen, te bezitten, te beheren of te bewaren. Die oplossing beoogde te vermijden dat iemand een tweede maal zou worden gestraft voor het loutere bezit van de opbrengst van zijn eigen misdrijf.
Deze uitzondering werd echter geleidelijk ingeperkt. Reeds in 1995 konden bepaalde witwasgedragingen al aan de dader van het grondmisdrijf worden toegerekend. In 2007 werd de uitzondering verder beperkt tot in België gepleegde misdrijven.
Het nieuwe artikel 502 van het Strafwetboek schaft deze uitzondering definitief af. Voortaan kan iedere persoon die heeft deelgenomen aan het grondmisdrijf (dader, mededader of medeplichtige) worden vervolgd wegens witwassen, zelfs indien hij zich ertoe beperkt de onrechtmatige vermogensvoordelen te bewaren of te beheren zonder daden van verberging of overdracht. Het loutere feit te blijven genieten van een voordeel van onrechtmatige herkomst vormt nu een afzonderlijk misdrijf.
Een voortdurende overtreding: welke gevolgen voor de verjaring?
Het voortdurende karakter van witwassen wijzigt grondig de verjaringsregels. In het Belgische strafrecht begint de verjaringstermijn van de strafvordering in beginsel pas te lopen vanaf het ogenblik waarop het misdrijf eindigt. Bij witwassen betekent dit dat de verjaring pas start vanaf de laatste handeling van bezit, beheer of gebruik van de onrechtmatige vermogensvoordelen.

Met andere woorden: zolang de dader de uit het grondmisdrijf voortvloeiende goederen behoudt of blijft gebruiken, wordt het misdrijf als voortdurend beschouwd.
In het nieuwe regime verjaren misdrijven die met een straf van niveau 1 tot 3 worden bestraft na tien jaar (wet van 9 april 2024).
In de praktijk kan deze verjaringstermijn evenwel voortdurend worden uitgesteld zolang de financiële voordelen worden aangehouden of geëxploiteerd. Dit kan de verwerving van de verjaring aanzienlijk vertragen en de mogelijkheden tot strafrechtelijke vervolging op lange termijn versterken.
Wat zijn de sancties bij witwassen?

Het nieuwe Strafwetboek combineert voortaan hoofdstraffen, bijkomende straffen en verzwarende factoren, zodat de rechter de sanctie kan afstemmen op de werkelijke ernst van de feiten.
Type straf | Sancties |
|---|---|
Hoofdstraf | Niveau 3: 3 tot 5 jaar gevangenisstraf (natuurlijke personen); €360.000 tot €600.000 (rechtspersonen) |
Bijkomende straffen | Geldboete van €200 tot €2.000.000 of equivalent van de witgewassen goederen; verplichte verbeurdverklaring van de onrechtmatige goederen en hun opbrengsten; uitgebreide confiscatie onder de voorwaarden bepaald door de wet |
Verzwarende factoren | Betrokkenheid van minderjarigen of kwetsbare personen; ernstige inbreuk (niveau 7-8); professionele dader of onderworpen entiteit*; inbreuk gepleegd in het kader van een criminele organisatie |
*De onderworpen entiteiten omvatten banken, trustkantoren en andere beroepsbeoefenaars die onderworpen zijn aan de antiwitwasverplichtingen.
Krachtens artikel 502, vierde lid, kan de verbeurdverklaring worden bevolen zelfs wanneer het goed niet toebehoort aan de veroordeelde.
De vrijstelling van straf voor de onderworpen entiteiten: een strikt omkaderde bescherming
Een strafuitsluiting (art. 504) geldt enkel voor onderworpen entiteiten die, bij witwassen gekoppeld aan fiscale fraude andere dan ernstige fiscale fraude, de wetgeving ter bestrijding van fiscale fraude hebben nageleefd, met inbegrip van de wet van 18 september 2017 betreffende de preventie van witwassen. Zij dekt enkel de gedragingen onder 1° en 3° — niet de omzetting of overdracht van onrechtmatige voordelen (2°) — en strekt zich niet uit tot ernstige fiscale fraude.
Concreet is deze vrijstelling enkel mogelijk indien de entiteit haar cliënten correct heeft geïdentificeerd, een voortdurend toezicht op de zakelijke relatie heeft uitgeoefend en een grondige analyse van verdachte verrichtingen heeft uitgevoerd. Ze veronderstelt eveneens dat de interne controle- en preventiemechanismen te goeder trouw zijn toegepast.

Deze vrijstelling vormt echter geen automatische immuniteit. Ze blijft restrictief van toepassing en blijft onderworpen aan het oordeel van de rechter, die concreet zal beoordelen of aan de wettelijke verplichtingen is voldaan.
In de praktijk kan elke nalatigheid of passiviteit ten aanzien van verdachte verrichtingen een belemmering vormen voor het verkrijgen van deze vrijstelling.
Ter illustratie: een bank die de formele identificatiecontroles van haar cliënten heeft uitgevoerd, maar heeft nagelaten om ongebruikelijke financiële bewegingen die door haar monitoringsysteem zijn gemeld, grondig te analyseren, zou vermoedelijk geen beroep kunnen doen op deze vrijstelling. Het loutere bestaan van interne procedures volstaat dus niet: ze moeten ook daadwerkelijk met de nodige zorgvuldigheid worden toegepast.
Wat levert de strafbaarstelling van de frauduleuze organisatie van insolventie op?
De hervorming beperkt zich niet tot witwassen. De strafbaarstelling van frauduleuze organisatie van insolventie, die reeds bestond onder het oude artikel 490bis, is overgenomen in artikel 496 van het nieuwe Wetboek. Zij bestraft de schuldenaar die frauduleus zijn eigen insolventie organiseert en de verplichtingen waartoe hij gehouden is niet nakomt, zonder dat een faillissement is vereist. Zij vult de reeds bestaande inbreuken inzake faillissement aan, zoals:
De eenvoudige bankbreuk (art. 490),
De frauduleuze bankbreuk (art. 491),
De frauduleuze aantasting van het actief of passief van een gefailleerde persoon (art. 492),
En de malversatie bij het beheer van de curatele (art. 493).
Concreet voorbeeld: een schuldenaar die opzettelijk zijn persoonlijk of zakelijk vermogen leeghaalt en vervolgens weigert opeisbare schulden na te komen, kan worden vervolgd op grond van artikel 496, ook zonder uitgesproken faillissement. Daarentegen valt een bestuurder die vennootschapsactiva naar een andere entiteit overdraagt in beginsel onder frauduleuze bankbreuk (art. 491) of aantasting van het actief (art. 492), en niet onder artikel 496.
Om de inbreuk te kunnen vaststellen, moeten verschillende elementen worden aangetoond:
De organisatie van de insolventie;
Het niet-nakomen van de verplichtingen waartoe de dader gehouden is;
Frauduleuze bedoeling.

De frauduleuze opzet kan onder meer worden afgeleid uit gedragingen zoals overdrachten van activa zonder reële economische rechtvaardiging, verrichtingen die onder duidelijk nadelige voorwaarden worden uitgevoerd, of het opzettelijk verbergen van elementen van het vermogen van de schuldenaar.
Het openbaar ministerie zal ook een verband moeten aantonen tussen de verrichte handelingen en de kunstmatige verslechtering van de financiële toestand van de schuldenaar. Deze bewijslast zal essentieel zijn om risicovolle maar rechtmatige beheersbeslissingen te onderscheiden van werkelijk frauduleus gedrag.
Een medeplichtige derde die de goederen restitueert, kan een verschoningsgrond genieten (art. 497).
Het misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2, namelijk een gevangenisstraf van 6 maanden tot 3 jaar voor natuurlijke personen en een geldboete van meer dan €20.000 tot €360.000 voor rechtspersonen.
Deze bepalingen maken een vroegere bestraffing mogelijk van frauduleuze zelfverarming die de rechten van schuldeisers ondermijnt, ook vóór de formele opening van een faillissement, terwijl zij onderscheiden blijven van de faillissementsmisdrijven die specifiek bestuurders en de aantasting van het maatschappelijk vermogen beogen.
Wat zijn de praktische gevolgen voor de economische actoren?
Domein | Belangrijkste impact | Reikwijdte |
|---|---|---|
Witwassen | Alle deelnemers aan de initiële inbreuk kunnen worden vervolgd (zelfwitwassen). | Primaire en derde auteurs |
Inbeslagneming | Verplicht en kan worden uitgebreid tot eerder verworven goederen | Kan bepaalde vermogensbestanddelen beogen onder de voorwaarden bepaald door de wet |
Sancties onderworpen entiteiten | Enge vrijstelling van art. 504 enkel voor witwassen gekoppeld aan niet-ernstige fiscale fraude (1° en 3°) | Dekt noch omzetting/overdracht, noch ernstige fiscale fraude |
Frauduleuze organisatie van insolventie | Vervolging van de schuldenaar (medeplichtigen kunnen de restitutieverschoning van art. 497 genieten) | Versterkte bescherming van schuldeisers |
Wat onderworpen entiteiten tegen 10 juli 2027 moeten doen. AMLD6 moet worden omgezet en de AMLR is vanaf die datum van toepassing. Breng resterende gaps in uw AML-kader in kaart (AMLD6-kloofanalyse voor België), actualiseer CDD- en governancecontroles, en stem de operationele paraatheid af op het EU-AML-pakket. Pideeco ondersteunt end-to-end remediatie via AML/KYC-kaders.
Wat onthouden?
Het nieuwe Belgische Strafwetboek markeert een significante breuk met het voorgaande economische en financiële strafrecht en beperkt zich niet tot louter technische aanpassingen.
De hervorming verduidelijkt het onderscheid tussen heling en witwassen, verruimt het toepassingsgebied van deze inbreuk aanzienlijk en erkent het zelfwitwassen volwaardig als een autonoom en voortdurend misdrijf. Deze evolutie versterkt de mogelijkheden tot vervolging in de tijd aanzienlijk door het uitstel van het startpunt van de verjaring.
Tegelijkertijd maakt de herneming van de strafbaarstelling met betrekking tot de frauduleuze organisatie van insolventie (art. 496) het mogelijk om eerder in te grijpen tegen zelfgeorganiseerde fraude ten nadele van schuldeisers, ook vóór de formele opening van een faillissement.
De sancties worden hertekend rond een gradueel panel, met een bijkomende geldboete tot €2 miljoen, een verplichte verbeurdverklaring en verruimde verzwarende factoren.
Met het nieuwe Strafwetboek in werking sinds 1 september 2026, en in een Europese context van voortdurende versterking van de antiwitwasverplichtingen, dwingen deze ontwikkelingen ondernemingen en professionals om te handelen op het vlak van governance, compliance en interne controles.






